Mobirise Website Creator

Funky Food Express

Uitgangspunten Funkyfoodexpress

Enquête in Nederland en Duitsland: Voedsel van dichtbij, één keurmerk, meer biologische landbouw Burgers in Nederland en Duitsland vinden dat land- en tuinbouw veel meer is dan een gewone economische sector. Een grote meerderheid wil voedselproductie en zorg voor het landschap niet enkel aan de wetten van de markt overlaten. In de toekomst wil men zoveel mogelijk voedsel uit eigen land en meer biologische productie. Het gebruik van genetische modificatie bij de productie van voedsel wordt afgewezen of zeer kritisch gevolgd. Dat blijkt uit een enquête onder 900 burgers in Duitsland en 900 burgers in Nederland, in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij.


De enquête, uitgevoerd door GfK panelservices Benelux, was een aanvulling op het project ‘Future of Food’ dat in samenwerking met het Duitse ministerie voor Consumentenbescherming, Voeding en Landbouw werd georganiseerd in de maanden oktober en november. Een belangrijk onderdeel hiervan was een internetdebat over voedselveiligheid, dierenwelzijn en ‘de boerderij van de toekomst’. Slechts 4% van de Nederlanders en 6% van de Duitsers noemt Land- en Tuinbouw een gewone economische activiteit.


In beide landen zegt meer dan 90% dat het veel meer is dan dat, omdat voedsel een belangrijke basisvoorziening is en de landbouw ook bepalend is in het landschap. Men verbindt daaraan ook de consequenties bij de vraag hoe het verder moet met subsidies aan de landbouw. 57% van de Nederlanders en 47% van de Duitsers wil deze handhaven, terwijl respectievelijk 27% en 31% er voorstander van is om ze te vervangen door subsidies op prestaties in het beheer van natuur, landschap en water. In de toekomst wil ruim 80% van de burgers graag dat het voedsel uit de eigen regio of uit eigen land afkomstig is. Duitsers leggen daarbij veel meer nadruk op de eigen regio (45%) dan Nederlanders (19%).


Gevraagd naar hun verwachtingen van de boerderij van de toekomst over 15 jaar geeft een kwart aan dat schaalvergroting en moderne technologie doorzetten. 30% van de Nederlanders en zelfs 48% van de Duitsers denkt dat de biologische landbouw de overhand krijgt. Anderen denken aan een multifunctionele landbouw met natuur- en landschapsbeheer, waterbeheer en recreatie (N: 34%/ D: 23%). Als nadruk word gelegd op hun eigen wens verschuiven de cijfers: dan kiest 57% van de Duitsers voor biologische landbouw en 30% voor multifunctionele landbouw. Van de Nederlanders ziet 37% graag de biolandbouw doorbreken.


De burgers werden ook geconfronteerd met de vraag waarom mensen zeggen dat ze meer willen betalen voor biologisch product, maar dat nauwelijks doen. Als belangrijkste reden noemt men daarvoor dat deze te duur zijn. Nederlanders zeggen dat de gewoonte om standaard-producten te kopen een rol speelt, terwijl ze ook te weinig weten over de pluspunten van biologisch. Duitsers vinden dat het vaak onduidelijk is welke producten biologisch zijn en twijfelen bovendien nogal eens aan de juistheid van de ‘bioclaim’ op het etiket.


Zorg over genetische modificatie Het gebruik van genetisch gemodificeerde landbouwhuisdieren ziet een meerderheid niet zitten. Van de Nederlanders wil 43% dit verbieden. Bij de Duitsers is dit 47%. Toestaan onder de strenge voorwaarden dat er geen risico’s aan kleven en geen onnodig dierenleed wordt veroorzaakt, vindt 39% van de Nederlanders en 36% van de Duitsers een optie. Een kleine 20% wil het toestaan voor speciale doeleinden, zoals productie van medicijnen en gezondere voeding. Het genetisch modificeren van voedsel kan ook in het algemeen niet op veel enthousiasme rekenen. Respectievelijk 31% en 48% wil het verbieden. Een derde deel van de burgers is het eens met de stelling ‘zorgelijk, maar we kunnen waarschijnlijk niet zonder’. Aan de andere kant vindt 37% van de Nederlanders en 23% van de Duitsers het om verschillende reden een vooruitgang die nieuwe kansen meebrengt.


Voedselveiligheid geen koop-argument Hoewel er veel is gesproken over voedselveiligheid, speelt dit aspect bijna geen rol bij het doen van aankopen in de winkel. De consument let traditioneel vooral op smaak, prijs en versheid van het product dat hij koopt. Gezondheid en houdbaarheid spelen ook een rol. De onderzoekers plaatsen de kanttekening dat dit anders zou zijn als de vragen waren gesteld ten tijde van bijvoorbeeld de BSE-crisis. Gevraagd naar de eerst verantwoordelijken voor voedselveiligheid noemen Nederlanders het vaakst de overheid, gevolgd door fabrikanten en boeren. Bij Duitsers is de volgorde omgekeerd: boer/tuinder, fabrikant, overheid. Wat opvalt is dat de consument zichzelf niet als eerst aangewezene beschouwt. Deskundigen wijzen er vaak op dat het bij het bewaren en bereiden van voedsel in de keuken ook nogal eens mis gaat. Als het gaat om voorlichting over voedselveiligheid hebben de Nederlanders veel vertrouwen in onafhankelijke organisaties, zoals de Hartstichting en de Consumentenbond. Duitsers hebben daarnaast ook veel vertrouwen in de boer zelf als informatiebron. De supermarkten en de EU scoren laag. Opvallend, omdat tijdens discussies in het kader van ‘Future of Food’ bleek dat supermarkten zichzelf op dit punt een belangrijke rol toebedelen.


Keurmerken worden niet onverdeeld positief beoordeeld. Vooral in Duitsland is men van mening dat er te veel zijn (47%). Een ander deel let er niet op, of zegt niet te weten wat die keurmerken betekenen. Geen wonder dat een grote meerderheid voorkeur uitspreekt voor 1 keurmerk voor alle voedingsmiddelen in eigen land (resp 23 en 26%), of nog liever in de hele EU (41 en 35%). Strenge regels dierenwelzijn Ruim 80% van de burgers heeft er geen moeite mee als dieren worden gehouden voor productiedoeleinden, als het maar niet om bont gaat. Bijna 40% maakt ook een uitzondering voor het produceren van medicijnen met dieren. Een meerderheid in beide landen meent dat het met het welzijn van landbouwhuisdieren de goede kant op gaat. Duitsers zijn resoluter: 55% vindt dat het beter gaat, maar 38% meent van niet. Bij de Nederlanders is dit 44% en 33%, terwijl een kwart het niet weet. Burgers noemen eerst de veehouder en daarna de overheid eerst verantwoordelijk voor het dierenwelzijn.


De Dierenbescherming, de EU en de consument zelf, zijn veel minder in beeld. Strengere regelgeving voor dierenwelzijn krijgt bijval. Zo stemt 65% van de Nederlanders in met de plannen om dieren maximaal acht uur te vervoeren in veewagens. Bij de Duitsers is dit 34%, terwijl 65% verder gaat: enkel binnen provinciegrenzen of rechtstreeks naar het slachthuis. Een meerderheid (60%) in beide landen vindt het couperen van staarten bij biggen onacceptabel. De manier waarop ze gehouden worden, moet maar veranderd worden, vinden burgers. Het is dan ook niet verwonderlijk dat bij een vraag over regelgeving blijkt dat burgers vinden dat de overheid actief betrokken hoort te zijn bij dierenwelzijn door regels op te stellen en zelf ook de naleving daarvan te controleren.


Een belangrijke rode draad die uit het onderzoek naar voren komt is dat burgers onderwerpen als voedselveiligheid en dierenwelzijn zien als een zaak voor professionals: boeren, fabrikanten en de overheid moeten dat samen goed geregeld hebben. Bij voedselveiligheid, maar zeker op het gebied van dierenwelzijn is draagvlak voor strengere regelgeving en willen burgers dat de overheid nadrukkelijk haar rol neemt in de uitvoering en handhaving daarvan. Opvallend is dat de burger zichzelf als consument bij deze zaken geen grote rol of verantwoordelijkheid toedicht.